Door Emmanuel Sauvage · Bijgewerkt op
Handleiding
Halogeenspots vervangen door LED
Een halogeenspot van 50 W geeft ongeveer 350–400 lm. Een LED van 4–6 W doet hetzelfde: 88–92 % minder vermogen voor hetzelfde licht.
1. Spot herkennen
- GU10: twee korte pinnen met voetjes, vastdraaien. 230 V, geen trafo.
- MR16 (GU5.3): twee dunne rechte pinnen, insteken. 12 V via een trafo in het plafond.
2. Lichtstroom kiezen
| Halogeen | LED-doel | Typische LED |
|---|---|---|
| 35 W | ≥ 230 lm | 3–4 W |
| 50 W | ≥ 350 lm | 4–6 W |
Halogeen-equivalenten voor gerichte lampen volgens Verordening (EU) 1194/2012. Behoud de stralingshoek (meestal 36–40°) en kies 2700–3000 K voor warm halogeenlicht.
3. MR16: de trafo-valkuil
Oude elektronische halogeentrafo's vragen vaak 20–35 W minimale belasting. Eén LED van 4 W zit daaronder: flikkeren of geen licht. Oplossing: een LED-driver voor het totale vermogen, of overschakelen op GU10-fittingen op 230 V (werk aan de installatie: NEN 1010 / AREI).
4. Dimmer
Zie dimbare LED: dimbare LED's en een fase-afsnijdingsdimmer.
5. Veiligheid
Schakel de groep uit en laat halogeenlampen afkoelen – ze worden ruim 100 °C heet. Let bij inbouwspots in geïsoleerde plafonds op de markering voor afdekking met isolatie.